grootvader
mannelijk (de)/ˈɣroːtˌfaːdər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (familie) de vader van een ouderNa school ging de jongen altijd bij zijn grootvader langs.
Etymologie
* In de betekenis van ‘vader van iemands vader of moeder’ voor het eerst aangetroffen in 1545
Vertalingen
Engelsgrandfather
Fransgrand-père, aïeul
DuitsGroßvater, Opa
Spaansabuelo
Italiaansnonno
Portugeesavô
Russischдед, дедушка
Chinees爺爺, 爷爷, 外公
Japansお爺さん
Koreaans할아버지
Arabischجد
Turksdede
Poolsdziadek
Zweedsfarfar, morfar
Deensbedstefader, bedstefar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek