groothandel

mannelijk (de)/ˈɣrothɑndəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) de handel die producten van fabrikanten koopt en doorverkoopt aan o.a. kleinhandelaars.
  2. economie, bedrijf (economie) (bedrijf) een bedrijf die producten van fabrikanten koopt en doorverkoopt aan o.a. kleinhandelaars.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘koop en verkoop in het groot’ voor het eerst aangetroffen in 1857

Vertalingen

Engelswholesale