grillen

/ˈɣrɪlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, kookkunst (ov), (kookkunst) bruinen en braden op een open rooster (grill) boven een warmtebron
    Gebruik bij het grillen van vlees, gevogelte en vis altijd een druipschaal om uitlopend vet en vleessappen op te vangen.
    Bij het eerstvolgende open veldje aan het water gooiden we onze spullen neer. Ik wilde dolgraag een keer verse vis vangen en op een kampvuurtje grillen.
werkwoord
  1. inerg (inerg) huiveren van kou of angst
  2. inerg (inerg) kwaad zijn

Etymologie

*[B] mogelijk uit "rillen" onder invloed van "gruwen" en "griezelen", er kan ook een verband zijn met Middelnederlands "gril" "driftig, opvliegend"

Vertalingen

Spaansasar a la parrilla