griep

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣrip/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) een virusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
    Vorige week is er weer griep uitgebroken.
  2. mestvork (-> greep)

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘influenza’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1873

Vertalingen

Engelsflu, grip, influenza
Fransgrippe
DuitsGrippe
Spaansgripe, gripa, influenza
Italiaansinfluenza
Japans風邪, ウイルス性の風邪, 流行性感冒
Poolsgrypa
Zweedsinfluensa, flunsa
Deensinfluenza