griendhout

onzijdig (het)/ˈɡrinthɑut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hout dat in rietlanden langs de rivieren en in de Biesbosch groeit, staken en tenen van veelal wilgenhout die oorspronkelijk geoogst en voornamelijk gebruikt voor het vervaardigen van zinkstukken
    En je had griendhout, vaak katwilg, netjes in rijen gepoot, afgezet op 60 cm of nog lager.