grenspaal

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meestal samen met soortgelijke palen, de markering van een grens vormend
    Er zijn weerwolven die meisjes lastig vallen, begrafeniswagens die bewegingsloos worden bij de grenspaal die de dode ooit valselijk verzet had, en tolgaarders die ook heksen zijn. NRC Lucas Brouwers Martine Kamsma Hendrik Spiering 14 oktober 2016
    Nederland kent honderden genummerde grenspalen.
    Ik daalde af naar het laatste dal, liep een drassig bos in en bereikte na bijna zes maanden eindelijk de grenspalen, de noordelijke Terminus genoemd, op de grens met Canada.