grendel

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een voorwerp, meest in de vorm van een metalen staaf, die de opening van een deur verhindert
    Deze stevige grendel maakt vrijwel onmogelijk de bankkluis te kraken.
  2. deel van een geweer waarmee men het geweer sluit zodat de patronen afgesloten zitten en het geweer klaar is om gebruikt te worden
    Opa pakte er meteen een, kreeg een doosje met munitie van de winkelbediende, keerde het doosje om en sloeg er hard mee op de toonbank zodat het openbarstte, greep een vuistvol patronen, drukte ze bliksemsnel in het geweer en duwde de grendel dicht.

Etymologie

* In de betekenis van ‘schuifbout voor deuren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100

Uitdrukkingen

  • achter slot en grendel
  • goed en stevig opgesloten