gratin

mannelijk (de)/ɡraˈtɛ̃/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kookkunst (kookkunst) gerecht dat bovenop is voorzien van een lichtbruin korstje
    Alleen die ver doorgegratineerde aardappel-kaasgratin is een te grote versjteerder met die gebrande kaassmaak. Als het dan een gratin moet zijn, maak er dan een met alleen room met wat klontjes boter erop: als die gratineert krijg je een veel mooiere, beter in te passen smaak.

Etymologie

*van "gratin"