grasmussen

/plaatshouder taxonomie/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zangvogels (zangvogels) een familie van kleine zangvogeltjes die eerder door hun gezang vanuit het gebladerte van hun aanwezigheid getuigen dan dat men ze goed te zien krijgt. De familie telt 2 geslachten en meer dan 30 soorten, maar de opvattingen over deze indeling veranderen nogal eens

Etymologie

* "grasmus" met de uitgang -en