granaatappel

mannelijk (de)/ɣraˈnatɑpəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) , tropische plant, die bekend is om zijn vruchten, ook granaatboom genoemd
    De granaatappel is een winterharde struik. Wanneer de bloempjes uitgebloeid zijn ontstaat een kroontje met 6 punten.
  2. fruit (fruit) vrucht van een dergelijke boom
    {{ouds

Etymologie

* In de betekenis van ‘vrucht van de granaatboom’ voor het eerst aangetroffen in 1534

Vertalingen

Engelspomegranate
Fransgrenadier, grenade
DuitsGranatapfelbaum, Granatapfel, Grenadine
Spaansgranado, granada
Italiaansmelograno, melagrana
Russischгранат, гранат
Chinees石榴
Japans石榴, 柘榴
Koreaans석류
Turksnar, nar
Poolsgranat, granat