graankorrel
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een vrucht waarbij de vruchtwand met de zaadhuid en de zaadkern is vergroeid. Soms, zoals bij gerst, spelt, rijst en timoteegras, ook nog verder vergroeid met de omhullende kafjes.Graankorrels vormen een van de belangrijkste voedselbronnen voor de mens.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek