goochelarij

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. door misleiding en fopperij mensen dingen laten zien die eigenlijk niet kunnen gebeuren
    De term toverij dekte in de zestiende en de zeventiende eeuw hekserij, waarzeggerij, goochelarij, en andere verschijnselen die door ”demonologen” werden veroordeeld. Reformatorisch Dagblad Klaas van der Zwaag 12-07-2011 [https://www.rd.nl/kerk-religie/theologen-vreesden-in-heks-pact-met-duivel-1.621829 Theologen vreesden in heks pact met duivel]
    Jannes de Goochelaar zorgt tijdens ’Vier het Voorjaar’ voor een spannende goochelshow vol met middeleeuwse tovenarij en magistrale goocheltrucjes. Dit jaar heeft hij zelfs een van de broeders erg nieuwsgierig gemaakt. Maar het zijn toch vooral de jonge bezoekertjes die Jannes heel speciaal vinden met al zijn geheimzinnige goochelarij. De Telegraaf 17 feb. 2016 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/442679/magie-van-de-middeleeuwen Magie van de middeleeuwen]

Etymologie

* van goochelen

Vertalingen

Engelsmagic trick, juggling, art of magic