gomma
mannelijk (de)/ˈɣɔma/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- lijm of stijfsel gemaakt met zetmeel van cassaveElke hoofddoek wordt met flink veel gomma gesteven, want hij moet plankhard worden.
- (plantkunde) soort boom uit het geslacht die voorkomt in hoger gelegen delen van het Amazonegebied in Zuid-Amerika en benut wordt om zijn hout, schaduw en geneeskrachtige werking
Etymologie
*van "goma" "gom, lijm, stijfsel", omdat zetmeel als lijm gebruikt kan worden [http://www.ze.nl/artikel/226313-heerlijke-surinaamse-maizenakoekjes Maizenakoekjes (19 februari 2009) op website: ze.nl]; geraadpleegd 2017-01-02
Vertalingen
Engelsgomma muskwood
Fransbois-pistolet gomma
Spaansbilibil, gito, requia
Portugeesandirobarana
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek