goëtie

vrouwelijk (de)/ɣoweˈ(t)si/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) toverij door bezwering van boze geesten, zwarte magie
    Diegenen echter, die de magie als iets supranormaals beschouwden, stelden zich meestal tevreden met een onderscheid te maken tusschen de magie in ongunstigen en in gunstigen zin, waarbij men de eerste meer bepaaldelijk goëtie, en de laatste sinds de tweede eeuw na Chr. bij voorkeur theürgie noemde.

Etymologie

* via Latijn "goetia" van γοητεία (goèteia) "toverij"