glos
vrouwelijk (de)/ɣlɔs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- verklarende aantekening of vertaling van een woord tussen de regels of in de marge van een tekst
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kanttekening’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek