gloed
mannelijk (de)/ɣlut/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de -al of niet zichtbare- straling die uitgaat van een heet voorwerpHij warmde zich aan de gloed van het kampvuur.Als de deur opengaat, biedt de gele gloed zo'n warm welkom dat Nella bijna begint te huilen.En ineens stonden ze voor een hol en zagen achterin de gloed van een vuur. Er was een lelijk oud wijf dat, zachtjes mompelend, in een pot boven het vuur stond te roeren.
Etymologie
* In de betekenis van ‘uitstralende hitte’ voor het eerst aangetroffen in 1290
Vertalingen
Engelsglow
DuitsGlut
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek