glijden

/ˈɣlɛidə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) met geringe wrijving gericht voortschuiven
    Ze waren op hun sleetje van het talud gegleden.
    Ze heeft het nog maar net over haar lijfje laten glijden wanneer er met veel misbaar een knoestige kerel komt aangesneld.
    Het was hoogzomer en ik liep tot mijn oksels door het hoge gras, strekte mijn armen uit en liet mijn vingers over de grassprieten glijden.
  2. inerg (inerg) op een glijbaan spelen
    Hij heeft maar een klein stukje gegleden.

Etymologie

* In de betekenis van ‘zich met weinig wrijving voortbewegen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Vertalingen

Engelsfloat, glide, slide
Fransglisser
Duitsgleiten
Spaansdeslizarse
Russischскользить
Japans滑る