gispen
/ˈɣɪspə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) (verouderd) iemand met een gisp, een dunne roede of smalle riem slaanHij werd met een roede gegispt.
- (ov), (figuurlijk) iets of iemand scherp bekritiseren
- (inerg), (figuurlijk) fel uithalen"Dat is de slechtste oplossing die ik ooit heb horen verkondigen" gispte zij.
- tweede betekenisomschrijvingZin met het gispen in de tweede betekenis erin.
- enz.
Etymologie
*Verbalisering van ghispe ("gisp"), mogelijk verwant met gesel. In de betekenis van ‘laken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1626
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek