ginkgo
mannelijk (de)/ˈɣɪŋkxo/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (palmvarens) benaming voor bomen uit het geslacht uit de familie ; dit geslacht is uitgestorven op de Japanse notenboom na, die daarom soms wordt gezien als een levend fossielDe poort aldaar geeft toegang tot de smalle gang (‘niet fietsen’) die voert naar een hemelse binnentuin met een spectaculaire ginkgo, een zonnewijzer en een reusachtige magnolia.
Etymologie
*van "銀杏" (ginkyo), in de betekenis van ‘een Japanse boom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1866
Vertalingen
Fransginkgo
Spaansginkgo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek