gijk
mannelijk (de)/ɣɛik/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) (verouderd) rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeilNaardien de nacht naderde, en de vlammen zich met snelheid uitbreidden, werd het dringend noodzakelijk, de ontruiming van het schip te bespoedigen Te dien einde bevestigde men een touw aan het uiteinde van de gijk, langs hetwelk de manschap kroop tot aan het touw, waarvan men zich bediende om af te dalen.
- (verouderd) boom van een hijskraan of graafmachineHoog in de blauwe lucht strijkt een vogel neer op de top van de naar de zon wijzende giek of gijk van de kraan.
- (verouderd) bij een wegwijzer het bord dwars op de paal
Etymologie
* herkomst onbekend
Uitdrukkingen
- wacht u voor de gijk
Vertalingen
Engelsboom, arm
Fransgui, bôme, flèche
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek