gig
mannelijk/vrouwelijk (de)/gɪg/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- lange, smalle roeiboot, waarin de roeiers alleen achter elkaar en niet naast elkaar zittenDe roeiers zitten in een gig alleen op hun eigen bank (...)Op onze geheele reis hebben wij geen enkel vaartuig ontmoet, dat ons kon volgen, uitgezonderd de Gig (eene ligte roeischuit) van het [f]regat Curaçao, (...)
- (historisch) kleine open wagen met twee wielen getrokken door één paardDaar kwam een gig aanrijden.
- optreden van jazz- of popmuzikantenOp 6 mei 1964 had Joe een gig gehad in de nachtclub Mardi Gras.
- gigabyteHoud dus 1,9 gig vrij op je harde schijf om volledig van de game te kunnen genieten.
- gigabit per secondeVoor een aantal wetenschappelijke toepassingen kun je niet uit met 10 maal 10 gigabit, maar heb je echt 100 gig nodig
Etymologie
*[5] (verkorting) van gigabit per seconde
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek