gierst
mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣirst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (plantkunde) plant van het geslacht
- (plantkunde), (graan) graansoort soort graan met fijne korrels, een historisch belangrijk graangewas in Europa, vóór de introductie van de "aardappel". Thans vooral in Azië en Afrika verbouwd
- (voeding) (gepelde en geslepen) zaden van graansoort
Etymologie
* De oorspronkelijke vorm was tot voor kort nog te vinden in de dialecten, o.m. als herse, heerze, vergelijk Middelnederlands "heerse", "herse", : uit Germaans *hersja-, *hersjan- (m).De standaard-Nederlandse vorm "gierst", in de betekenis van ‘graangewas’ aangetroffen vanaf 1577 is waarschijnlijk gecontamineerd met de benaming voor een andere graansoort: "gerst". Guus Kroonen. 2013. Etymological Dictionary of Proto-Germanic. Leiden etc., Brill Publishers: p. 222. ISBN: [https://brill.com/view/title/12611 978-90-04-18340-7]
Vertalingen
Engelsmillet
Fransmillet
DuitsHirse
Spaansmijo
Italiaansmiglio
Portugeesmilhete
Russischпшено
Chinees小米
Japansキビ
Koreaans수수, 서곡
Arabischدخن
Turksdarı
Poolsproso
Zweedshirs
Deenshirse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek