gierst

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣirst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plantkunde (plantkunde) plant van het geslacht
  2. plantkunde, graan (plantkunde), (graan) graansoort soort graan met fijne korrels, een historisch belangrijk graangewas in Europa, vóór de introductie van de "aardappel". Thans vooral in Azië en Afrika verbouwd
  3. voeding (voeding) (gepelde en geslepen) zaden van graansoort

Etymologie

* De oorspronkelijke vorm was tot voor kort nog te vinden in de dialecten, o.m. als herse, heerze, vergelijk Middelnederlands "heerse", "herse", : uit Germaans *hersja-, *hersjan- (m).De standaard-Nederlandse vorm "gierst", in de betekenis van ‘graangewas’ aangetroffen vanaf 1577 is waarschijnlijk gecontamineerd met de benaming voor een andere graansoort: "gerst". Guus Kroonen. 2013. Etymological Dictionary of Proto-Germanic. Leiden etc., Brill Publishers: p. 222. ISBN: [https://brill.com/view/title/12611 978-90-04-18340-7]

Vertalingen

Engelsmillet
Fransmillet
DuitsHirse
Spaansmijo
Italiaansmiglio
Portugeesmilhete
Russischпшено
Chinees小米
Japansキビ
Koreaans수수, 서곡
Arabischدخن
Turksdarı
Poolsproso
Zweedshirs
Deenshirse