giegagen

/ˈɣiɣaɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. intr, verouderd (intr) (verouderd) het kenmerkende geluid van een ezel maken
    Juist op oogenblik, toen hij boven op den heuvel was, begon zijn ezel te giegagen en achteruit te slaan, zoodat de beide molensteenen hem van den nek vielen en met verschrikkelijk misbaar in het bivak van den vijand terecht kwamen.

Etymologie

*(klanknabootsing)