giebelen

/ˈɣibələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. een beetje geheimzinnig en verholen lachen door kinderen en jonge meisjes
    ' We moeten een bijeenkomst houden. Niet voor de lol. Niet om te lachen en van de boomstronk af te vallen' - het groepje ukkies op de wiebelstam giebelde en wisselde onderling blikken uit - 'niet om moppen te vertellen of om' - hij tilde de tritonshoorn op in een poging het dwingende woord te vinden - 'bijdehand te doen. Niet vanwege dat soort dingen. Maar om onze zaken op orde te krijgen.' William Golding De heer der vliegen vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema 2011 pagina 91

Etymologie

*Van gijbelen, een frequentatief van gijpen ("gapen"). In de betekenis van ‘giechelen’ voor het eerst aangetroffen in 1898