gezwollen

/ɣəˈzwɔlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. van een rivier dat er zoveel water doorheen stroomt dat ze haast buiten haar oevers treedt
    Op die vroege voorjaarsdag slokte de gezwollen rivier de oevers bijna helemaal op, en kale takken krabden aan de laaghangende wolken.

Etymologie

* en een klinkerwisseling e-o (ː /ɛ/ - /ɔ/)