gezusters

meervoud/ɣəˈzʏstərs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zusters in betrekking tot elkaar of bij elkaar

Etymologie

*, van Middelnederlands "gesuster", op te vatten als afgeleid van zuster en , in de betekenis van ‘zusters’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1276