gezin
onzijdig (het)/ɣəˈzɪn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (familie) huishouden bestaande uit een of meer ouders en hun kinderen‘Ik ben op weg naar een huisje op een vakantiepark in Venlo, een weekendje weg met ons gezin, mijn ouders en mijn zus. Dat doen wij een keer per jaar, en dit was al een half jaar van tevoren gepland.Franse kinderen schreeuwen nietTerwijl Nederlandse moeders over het strand schallen: 'Kevin, hiieeerrr kooomeeen…’, praten Franse moeders alleen op gedempte toon met hun kinderen. Sterker nog; ik heb een heel gezin naast ons een hele dag lang alleen op fluistertoon met elkaar horen praten. Niemand viel uit zijn of haar rol. Heerlijk rustig. Waarom moeten wij eigenlijk altijd zo tetteren?
Etymologie
* van zenden
Uitdrukkingen
- een gezin stichten
Vertalingen
Engelsfamily
DuitsFamilie
Spaansfamille, familia
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek