gezeik

onzijdig (het)/ɣəˈzɛik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. informeel (informeel) veelvuldig of langdurig geklaag over weinig belangrijke zaken
    Ik ben dat gezeik van je zo zat!
    Om van het gezeik van zijn vrouw af te zijn, ruimde hij toch maar z'n rondslingerende spullen in de schuur op.

Etymologie

*Afgeleid van de stam van zeiken