gezaghebber

mannelijk (de)/ɣəˈzɑxhɛbər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) persoon die plaatselijk de hoogste bevoegdheid heeft om beslissingen te nemen waaraan anderen moeten gehoorzamen
    Hij werd als gezaghebber over drie eilanden aangesteld.
  2. persoon met aangeboren talent om ergens beslissingen over te nemen die anderen aanvaarden
    Hij was niet echt een gezaghebber.

Etymologie

*samenstellende afleiding van "gezag" en "hebben" , in de betekenis van ‘regeerder’ voor het eerst aangetroffen in 1646