gevel

mannelijk (de)/ˈɣeː.vəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) buitenmuur van een gebouw, in het bijzonder die aan de voorkant
    Ik liep langs gevels die waren voorzien van kantwerk van marmer.

Etymologie

* In de betekenis van ‘voormuur van gebouw’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1450

Vertalingen

Engelsfaçade, gable
Fransfaçade, pignon
DuitsFassade
Spaansfachada