geus

mannelijk (de)/ɣøs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon, geschiedenis (persoon) (geschiedenis) elk van de edelen van het Verbond in 1566 en later de vijanden van de regering van koning Philips II in de Nederlanden
  2. persoon, figuurlijk (persoon) (figuurlijk) iemand die zich daadwerkelijk verzet tegen gezag dat zich misdraagt
zelfstandig naamwoord
  1. gegoten ijzer in de vorm van een langwerpig blok met schuine zijden

Etymologie

*[B] vermoedelijk van gueuse "lingot, gieteling"