geur

mannelijk (de)/ɣør/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. biologie (biologie) gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
    Hij kwam op de geur af en vroeg onschuldig: "Is er koffie?".
    Geur is kennelijk een belangrijk overlevingszintuig en ik kon van verre al onderscheiden van welke dieren de uitwerpselen waren die ergens lagen. Dagjesmensen die ik soms tegenkwam op de trail, kon ik al van verre ruiken door hun scherpe deodorant, shampoo en parfumluchtjes. Ook al moet ik toegeven dat ik waarschijnlijk zelf ook een redelijk scherpe geurvlag uitzette.
    Hij hield van de geur van groene zeep.

Etymologie

* In de betekenis van ‘wat men ruikt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265

Uitdrukkingen

  • Er is geen geur of heerlijkheid aanHet heeft geen smaak; (bij uitbreiding) er valt niets aan te beleven
  • Geur makenopscheppen [2], overdrijven, pochen
  • In geuren en kleuren vertellenIets heel gedetailleerd en/of met veel enthousiasme vertellen of uitleggen

Vertalingen

Engelssmell, scent, odour
Fransodeur
DuitsGeruch
Spaansolor
Russischзапах
Turkskoku
Poolszapach
Zweedsdoft