gestotter

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het hakkelend praten met veel herhalingen die het vloeiend verloop van de spraak onderbreken
    Het gestotter van de stotteraar was pijnlijk om naar te luisteren.
    Ik heb het geturfd: in een fragment van nog geen vier minuten zei Rehn 92 maal eh. Gemiddeld elke tweeënhalf seconde. Dan is er sprake van een logopedisch defect, een gestotter waar je misschien niet mee moet spotten. NRC Arjen van Veelen 13 juni 2013
  2. met grote aarzeling toegeven
    Het stoute kind gaf stotterend toe dat het de vaas had omgestoten.
    Het is best lastig om je baas te vragen om meer geld of een betere functie. Elf tactieken om voor jezelf op te komen op de werkvloer. Hij merkt het aan de zweetlip en het gestotter. Of hoe ze een paar keer langs zijn kantoortje lopen, maar niet naar binnen durven gaan. Of, ook opvallend: hoe ze opééns de week van tevoren kopjes koffie komen brengen en klusjes voor hem willen doen. „Het is meestal overduidelijk als een medewerker iets wil vragen waar hij eigenlijk tegenop ziet”, zegt Ton Keunen. NRC Charlotte van ’t Wout 4 oktober 2016

Etymologie

* van stotteren