geslachtsboom
mannelijk (de)/ɣəˈslɑx(t)sbom/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- boom van een geslacht, d.i. het geslacht vergeleken bij een boom, waarvan de stam zich telkens meer vertaktgeslachtsboom van het Huis van Oranje.
- tekening die een boom voorstelt, en waarin de leden van een geslacht in hun verschillende graden van verwantschap worden vermeldEen geslachtsboom van zijn familie opmaken.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek