geslachtsboom

mannelijk (de)/ɣəˈslɑx(t)sbom/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. boom van een geslacht, d.i. het geslacht vergeleken bij een boom, waarvan de stam zich telkens meer vertakt
    geslachtsboom van het Huis van Oranje.
  2. tekening die een boom voorstelt, en waarin de leden van een geslacht in hun verschillende graden van verwantschap worden vermeld
    Een geslachtsboom van zijn familie opmaken.