geselen

/ɣesələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iemand met een zweep of gesel tuchtigen
    De gevangen werden genadeloos gegeseld.

Uitdrukkingen

  • andere katten te geselen hebben

Vertalingen

Engelswhip
Fransfouetter
Duitspeitschen
Spaansazotar, flagelar
Italiaansfustigare
Portugeesflagelar