geselen
/ɣesələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iemand met een zweep of gesel tuchtigenDe gevangen werden genadeloos gegeseld.
Uitdrukkingen
- andere katten te geselen hebben
Vertalingen
Engelswhip
Fransfouetter
Duitspeitschen
Spaansazotar, flagelar
Italiaansfustigare
Portugeesflagelar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek