geschikt

/ɣəˈsxɪkt/

Betekenis

werkwoord
  1. met de juiste eigenschappen
    ' Ik was behoorlijk opgelucht toen ze me dat opdroeg, want meestal als ik aan mensen vertelde dat ik een boek wilde schrijven, reageerden ze door te zeggen dat hun levensverhaal daar bijzonder geschikt voor zou zijn.
    Die tang is ook geschikt om dikke draden mee door te knippen.
    Met haar metalen golfplaten dak leek deze plek me niet geschikt om bescherming te bieden, eerder een uitnodiging aan de bliksem om in te slaan.

Etymologie

* In de betekenis van ‘aangenaam in omgang, passend’ voor het eerst aangetroffen in 1460

Vertalingen

Engelssuitable
Fransapproprié
Duitsgeeignet
Spaansadecuado, conveniente, apropiadamente