gerichtheid
vrouwelijk (de)/ɣəˈrɪxthɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- aanwezigheid van een duidelijke voorkeur bij het geven aandacht of van een duidelijk strevenHet lijkt onbestaanbaar dat op 5 september 2000 een overgrote meerderheid van de Tweede Kamer stemde vóór openstelling van het burgerlijk huwelijk voor man-man- en vrouw-vrouwkoppels. Hoeveel homo’s en lesbo’s zaten er toen in het parlement? Ik heb geen idee, maar dat driekwart van onze parlementariërs deze seksuele gerichtheid was toegedaan lijkt me stug.De haj biedt individuele gelovigen de mogelijkheid de gerichtheid op god te versterken, hij dient als kans om vergeving te vragen voor zonden en onderstreept de universele broederschap van de moslimgemeenschap.Tegelijk klinkt de roep om maatschappelijk relevant onderzoek steeds luider. Deze gerichtheid op de korte termijn, in combinatie met steeds meer procedures en regels, gaat ten koste van speculatief, exploratief onderzoek dat niettemin van grote maatschappelijke betekenis is.
Etymologie
*afgeleid van "gericht"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek