gepruttel

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het geluid van iets dat zachtjes aan het koken is
    Ik hoorde het gepruttel van de koffiemachine, rook het heerlijke koffiearoma en wist dat het dus weer pauze was.
    Hij creëert minimal-klanken die aanzwellen tot een dreigende storm en weer terugvallen tot fluisterzacht gepruttel. De trefzekerheid, gebracht met een duivelse grijns, werkte hypnotiserend. NRC Hester Carvalho 13 januari 2017
  2. het zachtjes uiten van kwaadheid
    De docent trok zich niets aan van het gepruttel van de leerlingen die vonden dat ze te veel huiswerk opgekregen hadden.
    Meestal gaat dat voorstel gepaard met rumoer, soms ook met geruzie, soms met alleen wat gepruttel. NRC Menno Tamminga 23 april 2016

Etymologie

* van pruttelen