genieting

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het plezier of genot dat men aan iets beleeft; de aangename gewaarwording
    Maar mijn pogingen om de schoonheid van het geobserveerde met hem te delen werkten meer en meer averechts. Bij elk ding, ieder verschijnsel waarvan ik zeker meende te weten dat het zijn blik welgevallig zou zijn geweest, ging er een evenredig deel van mijn genieting af. {{Aut|Heijden, A.F.TH. van der

Etymologie

* van genieten