generaal

mannelijk (de)/ˌɣenəˈral/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. militair, beroep (militair) (beroep) de doorgaans hoogste rang in het leger (afgezien van die van maarschalk [1]), degene die het bevel heeft over alle strijdmachten in dat leger
    De koning riep zijn generaals bijeen om de komende veldtocht te bespreken.
    Omdat ze een vrij klassiek beeld had van de oorlog was ze er snel van overtuigd dat Albert 'met zijn intelligentie' na korte tijd zou uitblinken, promotie zou maken en ze zag hem al in de voorste linie in de aanval gaan. Ze stelde zich voor dat hij een heldendaad verrichtte, meteen officier werd, kapitein, commandant of meer nog, generaal, die dingen gebeuren tijdens de oorlog. {{Aut|Lemaitre, Pierre

Etymologie

#algemeen

Vertalingen

Engelsgeneral, general, usual
Spaansgeneral, general
Russischгенерал