gemeente
vrouwelijk (de)/ɣəˈmentə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- bestuurlijke eenheid in een staat, onder bestuur van een raad, een burgemeester en wethouders of schepenenIn zijn eigen gemeente is de burgemeester uitzonderlijk populair.
- de gezamenlijke gelovigen van een bepaald kerkgenootschap of in een bepaalde kerk bijeenDe pastoor deed zijn uiterste best om aan de behoeften van zijn gemeente te voldoen.Op zondagochtend fietste ik richting onbekende kerkklokken om te zien of de gemeente en de sfeer daar iets voor mij was.
Etymologie
*afgeleid van gemeen (gemeenschappelijk)
Vertalingen
Engelsmunicipality, parish, congregation
Franscommune, communauté
DuitsGemeinde, Gemeinde
Spaansmunicipio, cofradía, congregación
Poolsgmina
Zweedskommun, församling
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek