geluier

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het aanhoudend lui zijn; het aanhoudend werkeloos zijn
    Frank: ,,Wat een fantastische week was dit. Van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat live muziek zien en horen. Wat een genot! Ik ben moe maar fucking voldaan. En niks geen geluier, dit weekend ga ik gewoon weer naar het Dauwpop festival." Tubantia 10-01-17 [https://www.tubantia.nl/show/frank-van-der-lende-pakt-wereldrecord~ac9b8d3a/ Frank van der Lende pakt wereldrecord]
    Absoluut geen geluier vandaag voor radiomaker en kunstenaar Ruud Wild. Hij zat een groot deel van de dag in zijn atelier. Tubantia Tom Tates 22-07-18 [https://www.tubantia.nl/show/birgit-maakt-net-wakkerselfie-en-hongerige-jochem-ontbijt-heftig~a216a7e2/ Birgit maakt net wakkerselfie en hongerige Jochem ontbijt heftig]
    Terug op de camping gaan de zere voeten omhoog en besluiten we dat er toch even geluierd mag worden. In de deuropening van de caravan naast ons pingelt een man op zijn gitaar en langzaam dommelen we in slaap. De Telegraaf LOTTE ROEP 11 aug. 2013 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/1068950/groene-weelde-in-zwarte-woud Groene weelde in Zwarte Woud]

Etymologie

* van luieren

Vertalingen

Engelsloafing about, laziness, idleness