gelovige

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣəˈlovəɣə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
    De gelovigen stonden voor de kerk te wachten op de dienst.
    De gelovigen stonden te wachten op de handlezer.

Etymologie

*Afleiding van gelovig .

Vertalingen

Engelsbeliever
Franscroyant, croyante
DuitsGläubige, Gläubiger