gekuch

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aanhoudend zachtjes hoesten
    Twee dubbeldekkers vol boze Groningers zijn naar Den Haag gekomen om het debat te volgen. De toeschouwers kunnen hun emoties soms nauwelijks bedwingen en trakteren de politici op gekuch, gejoel, maar ook applaus.de Telegraaf 16 jan. 2018
    Veel Nederlanders gaan met koorts, gesnotter en gekuch het nieuwe jaar in. Ons land wordt nu al zo'n drie weken geteisterd door een griepgolf, blijkt uit cijfers van het Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (Nivel). Huisartsen zien vooral baby’s en kleine kinderen tot vier jaar langskomen met griepklachten. De kleintjes hebben opvallend vaak het verkoudheidsvirus RS opgelopen.de Telegraaf 03 jan. 2018

Etymologie

* afleiding van kuchten en

Vertalingen

Engelscough