geklingel

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het rinkelende, tingelende geluid van belletjes
    Een vrolijk geklingel, afkomstig van 23 belletjes, laat Huub Mikx weten dat er een klant in zijn atelier is. „Dat zijn schapenbellen, gekocht op een markt in Turkije”, legt de edelsmid en beeldend kunstenaar uit. „Ik heb ze beluisterd en meegenomen, En nu hangen ze boven de deur”. Huub springt, slaat met zijn hand tegen de zelfgemaakte deurbel en laat alle 23 belletjes nogmaals rinkelen. „Kom binnen.” Tubantia Tamarah Swensen 12-11-12 [https://www.tubantia.nl/hengelo-e-o/achter-de-toonbank-atelier-huub-mikx~a06aea32/ Achter de toonbank: Atelier Huub Mikx]
    De beren blijven inderdaad op veilige afstand van de mensenwereld. In plaats daarvan horen we het geklingel van koeienbellen, afkomstig van grazende kuddes op de steile, groene grasweiden. De Telegraaf LIES KOMBRINK 23 mei 2013 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/1106094/hogerop-in-harghita Hogerop in Harghita]
    Inwoners van het Zuid-Hollandse dorpje ’s-Gravendeel hebben een bijzonder onrustige nacht achter de rug. De kerkklokken van de Hervormde kerk sloegen om half vijf ’s ochtends op hol. Pas na drie kwartier kwam er een einde aan het onophoudelijke geklingel. De Telegraaf 18 jul. 2013 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/1085708/kerkklokken-op-hol-hele-dorp-wakker Kerkklokken op hol; hele dorp wakker]

Etymologie

* van klingelen

Vertalingen

Engelsringing, tinkle, jingle