gehoor
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) het organische systeem om geluiden waar te nemenMijn opa's gehoor was erg slecht geworden.
- publiek bij een uitvoering
Etymologie
* van horen
Uitdrukkingen
- gehoor geven aan — opvolgen van een oproep
Vertalingen
Engelshearing, audience
Fransouïe
DuitsGehör
Spaansaudición, oído
Japans聴覚
Poolssłuch
Zweedshörsel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek