gehoor

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) het organische systeem om geluiden waar te nemen
    Mijn opa's gehoor was erg slecht geworden.
  2. publiek bij een uitvoering

Etymologie

* van horen

Uitdrukkingen

  • gehoor geven aanopvolgen van een oproep

Vertalingen

Engelshearing, audience
Fransouïe
DuitsGehör
Spaansaudición, oído
Japans聴覚
Poolssłuch
Zweedshörsel