gefemel

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aanhoudend iemand op een huichelachtige manier vleien
    Helen Hunt werd wel genomineerd. Niet onterecht, want ze speelt de therapeute die de verlamde schrijver Mark O'Brien aan een seksuele ervaring helpt met een naturel die ons erg bevalt. Maar we vermoeden dat Hunt door haar collega's werd genomineerd omdat ze op haar 48ste nog frontaal naakt durfde te acteren, als we zien hoeveel inkt daar in de Verenigde Staten over is gevloeid. Dat is dan weer jammer, want The sessions is net verfrissend wars van dat soort schijnheiligheid en gefemel over seks.de Standaard 06 MAART 2013 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20130305_00493434 Passioneel therapeutisch ]
    Celine was een antisemiet en een schoft die met de Duitsers collaboreerde en daarmee uit. Van mogelijke nuanceringen wilde hij niet horen. Dat was niet meer dan gefemel van halfzachte intellectuelen die de vitale dissonanties waar Celine hen mee opzadelde niet wisten te verwerken.NRC Mels de Jonge 28 september 1990 [https://www.nrc.nl/nieuws/1990/09/28/em-kummer-en-het-afscheid-van-celine-en-toen-gingen-6942409-a870132 Em. Kummer en het afscheid van Celine; En toen gingen weieder onze eigen weg ]

Etymologie

* van femelen