geding

onzijdig (het)/ɣəˈdɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch (juridisch) rechtsgeding, -zaak, proces
  2. geschiedenis (geschiedenis) een rechtbank bij verschillende Germaanse stammen en koninkrijken

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands gedinge, gedinc ‘rechtsgeding; overeenkomst, lawaai’, collectief uit ding (zie aldaar). Evenzo afgeleid zijn Oudsaksisch githingi ‘voorspraak, bemiddeling’, Duits Gedinge ‘akkoordloon, stukloon voor mijnwerkers’ en Oudengels geðinge ‘bijeenkomst, overeenkomst, lot’.

Uitdrukkingen

  • In het geding zijn/komenIn gevaar zijn of komen, op het spel staan.