gedienstigheid
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het bereid zijn om iemand diensten te verlenen; de neiging om dienstbaar te zijnErnst en Thjum kweten zich op de plantenmarkt, zo goed en zo kwaad als het ging, nederig van hun taak, alsof ze allebei tegenover Malou iets in het reine te brengen hadden. Hun gedienstigheid was bijna te opzichtig.La Tim ligt aan de drukke Herenstraat, in het centrum van Breukelen. Het is een komen en gaan bij de afhaal en het restaurant is goed bezet. Desondanks is een wuifje met de hand al voldoende om de gedienstigheid van onze ciderman te doen ontwaken.
- handeling die getuigd van gedienstigheid
Etymologie
* afleiding van gedienstig
Vertalingen
Engelskindness, modesty, courtesy
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek