gebruik

onzijdig (het)/ɣəˈbrœyk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een standaard manier van doen
    Het schudden van de rechterhand is, in Nederland, het gebruik om een onbekende te begroeten.
  2. toepassen van iets
    Het gebruik van een woordenboek is aan te raden voor het controleren van de spelling.
    In de Duitse wereld waren er speciale Fechtakademies en Fechtbücher die de jonge aristocraat voorbereidden op een leven waarin hij geregeld gebruik moest maken van geweld.
    Deze chaotische situatie zorgde ervoor dat pas in 2012 ontdekt werd dat Nederlandse roeiers (van de overkoepelende studentenroeivereniging Minerva) bij deze Spelen een medaille hadden gewonnen: omdat ze gebruik hadden gemaakt van een anonieme Franse stuurman werd hun overwinning geteld als één van het internationale team.

Etymologie

:Italisch Latijn: frui, "genieten"

Vertalingen

Engelscustom, habit, way
DuitsBrauch, Gebrauch
Spaanscostumbre, hábito, usanza